Liefde voor de stad?

ACADEMIE VAN BOUWKUNSTG

21 mei tot 25 juni

Ook dit jaar geven studenten van de Academie van Bouwkunst tijdens de Dag van de Architectuur een invulling aan het Tschumipaviljoen. Liefde voor de stad? gaat volgens hen niet alleen over liefde voor de oude panden en architectuur, maar ook over de waardering voor het experiment en vernieuwing. Het ontwerp van de studenten zoekt daarom het spanningsveld op tussen oud en nieuw en stelt de passant de vraag hoe Groningen er uit zou zien zonder moderne architectuur. Ook in het paviljoen zal, middels een enquete aan dit thema invulling worden gegeven.

Het paviljoen is voor publiek geopend op zaterdag 26 mei, 2, 9, 16 en 23 juni van 10.00 tot 14.00. Iedereen is welkom om deel te nemen aan de enquete Liefde voor de stad?

 

Groningen is een eeuwenoude stad. Zo zien we dat in ieder geval graag, en velen vinden de stad juist daarom zo mooi. Maar is de stad niet juist interessant en karakteristiek door de vernieuwing die continu plaatsvindt? Zit daar niet onze echte liefde voor de stad?

Groningen heeft inderdaad oude wortels. Veel straten, stegen en pleinen van de binnenstad zoals we die nu kennen, liggen al sinds hun oorsprong op dezelfde plek. De stad voelt daardoor wellicht ook oud aan. Want hoewel we denken dat ook de gevels in de binnenstad echt oud zijn, is de overgrote meerderheid ervan jonger dan 150 jaar. Delen van de bebouwing zijn soms veel ouder, maar bijna alle gevels in de stad zijn relatief recentelijk simpelweg vervangen door een nieuwere variant.

In die laatste 150 jaar is ook nog eens veel gebeurd op het gebied van wonen, bouwen en architectuur. Er zijn technologische ontwikkelingen geweest waardoor we het Nieuwe Bouwen kennen; het modernisme met zijn grote glasoppervlakten en vereenvoudiging van ornamentiek. Maar ook daarvoor al, in de traditionele ‘oude’ bouwstijlen, vond continu vernieuwing plaats. Ramen werden steeds groter, bakstenen werden kleiner, decoraties veranderden. In Groningen stonden heel vroeger zelfs houten vakwerkhuizen.

Die vakwerkhuizen zien we tegenwoordig niet meer, omdat het verhaal van de stad dat van een constante verandering is, van vernieuwing. De zichtbare stad zoals die we nu kennen, is daar het gevolg van. Stromingen als Jugendstil, de Amsterdamse School, wederopbouwarchitectuur en het postmodernisme (zoals het Groninger Museum) dragen allemaal bij aan het karakter van onze stad.

Al deze gebouwen zijn het gevolg van experiment en vernieuwing. Niet elke vernieuwing en elk experiment slaagt. Het geeft soms een wat nare bijsmaak. Het voelt misschien alsof we niet meer zo goed zijn in vernieuwend bouwen als de generaties voor ons. Dat is slechts onzekerheid. Het heeft tijd nodig voordat we nieuwe ontwikkelingen kunnen waarderen; of ze nu goed of slecht zijn. Soms moet eerst de nieuwigheid eraf.

Het is daarom belangrijk om waardering te hebben voor de vernieuwing en de zoektocht naar nieuwe kwaliteit. De stad bestaat uit verschillende lagen en dat is wat haar zo karakteristiek maakt. Daarom hebben wij, net als elke generatie voor ons, de verantwoordelijkheid om nieuwe waarde toe te voegen en daarbij vooruit te kijken.

Marek Boekholt, Remco Wagenaar 2018