door Han Hofman

In het Tschumipaviljoen, hingen zes grote koppen van purschuim. De koppen maakten draaiende bewegingen waardoor de suggestie ontstond dat ze naar elkaar keken en op elkaar reageerden. Het leken wezens die zich naar elkaar toe draaiden zover als hun nekspier dat toeliet. Zo aanschouwden ze elkaar in twee groepen van drie personen: ze waren bij elkaar, maar wat deden ze? En wat deden de voorbijgangers van het Tschumipaviljoen die de wezens opmerkten? Gingen zij iets voor die purschuimen hoofden voelen? Waar wachtten ze op? Hadden ze een Verlosser nodig? Waren zij slachtoffer van de omstandigheden of waren ze meester over de situatie? Rees hierdoor de vraag: wat doen we hier met z’n allen, en hoe gaan we met elkaar om?